Tag Archives: advocaat deventer

Het toestemmingsvereiste in het ontslagrecht

Een voorbeeld is een Spaanse werknemer die sinds 1951 in dienst is van een Spaanse werkgever en die heeft gewerkt in Spanje, Zwitserland, West-Duitsland en het laatst in Nederland. Voor de werknemer is in Nederland een tewerkstellingsvergunning in het kader van de toen nog geldende Wet arbeid buitenlandse werknemers, die inmiddels is vervangen door de Wet arbeid vreemdelingen, gevraagd en verkregen. De werknemer woont in Nederland in een door zijn werkgever gehuurde woning. Hij wordt in Nederland in guldens uitbetaald. De werknemer beheerst overigens niet de Nederlandse taal en de pensioenopbouw vindt in Spanje plaats.

Het feit dat de arbeidsverhouding met een internationaal karakter wordt beheerst door het Nederlandse recht, brengt niet zonder meer met zich dat ook het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 van toepassing is. Dit hangt af van het eigen in het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 neergelegde toepasselijkheidsregime. Daar komt de voorwaarde dat de arbeidsverhouding moet worden beheerst door het Nederlands recht niet voor. Omdat de werknemer niet de Nederlandse taal spreekt, zijn pensioenopbouw in Spanje plaatsvindt en hij in een door zijn werkgever gehuurde woning verblijft, is niet te verwachten dat de werknemer na zijn ontslag zou terugvallen op de Nederlandse arbeidsmarkt. De salarisbetaling en het feitelijk woonachtig zijn in Nederland zijn in dat verband niet doorslaggevend voor de toepasselijkheid van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945.

Het toestemmingsvereiste 

Op grond van art. 6 lid 1 Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 heeft de werkgever voorafgaande toestemming nodig van de Centrale organisatie werk en inkomen om een arbeidsverhouding te kunnen opzeggen. Voor alle duidelijkheid; alleen de werkgever heeft toestemming nodig om de arbeidsverhouding te kunnen opzeggen. Of voorafgaande toestemming vereist is allereerst afhankelijk of het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 van toepassing is op de arbeidsverhouding (zie art. 1 BBA 1945; zie 5.2.2. en 5.2.3) en er mogelijk sprake is van een uitzondering op de toepasselijkheid van het besluit (zie art. 2 BBA 1945;). Art. 6 Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 geeft namelijk zelf ook nog een aantal uitzonderingen op het voorafgaande toestemmingsvereiste. 

Op grond van art. 6 lid 2 onderdeel a Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 is de toestemming niet nodig als de opzegging onverwijld gebeurt om een dringende reden onder gelijktijdige mededeling van die reden, het zogenoemde ontslag op staande voet (zie art. 7:677 lid 1 j° 7:678 BW). Deze uitzondering op het toestemmingsvereiste ligt eigenlijk voor de hand. Het ligt in de aard van het ontslag op staande voet dat een werknemer (in beginsel) direct wordt weggestuurd. Het moeten hebben van toestemming valt hiermee niet te rijmen. Het gaat dan wel om een terecht gegeven ontslag op staande voet. Mocht een dergelijk ontslag ten onrechte zijn gegeven dan valt dit niet onder de uitzondering van art. 6 lid 2 Buitengewoon besluit Arbeidsverhoudingen 1945.

Vervolgens geeft art. 6 lid 2 onderdeel b Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 aan dat geen toestemming nodig is als er sprake is van een opzegging van de arbeidsverhouding tijdens de proeftijd. Ook deze uitzondering ligt voor de hand. Tijdens de proeftijd is ieder van de partijen namelijk bevoegd de arbeidsovereenkomst met on-middellijke ingang op te zeggen (zie art. 7:676 lid 1 BW; zie 4.10). Het moeten hebben van toestemming voor een dergelijke opzegging valt niet binnen het uitgangspunt dat ia die situatie een arbeidsovereenkomst onmiddellijk kan worden beëindigd. Tot slot geldt op grond van art. 6 lid 2 onderdeel c Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 het toestemmingsvereiste niet als de opzegging voortvloeit uit een faillissement van de werkgever. Een faillissement moet snel worden afgewikkeld.

Bovendien leidt het moeten hebben van toestemming om de arbeidsverhouding op te mogen zeggen tot een te groot beslag van de loonkosten op de te verdelen middelen in het kader van een faillissement. Ook is geen toestemming nodig als het gaat om de opzegging van een werknemer die door de curator tijdens het faillissement nog enige tijd in dienst is gehouden.384 Het toestemmingsvereiste geldt op grond van art. 6 lid 2 onderdeel c Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ook niet bij de toepassing van een schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (zie 4.9). Het toestemmingsvereiste van art. 6 lid 1 Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 heeft geen betrekking op andere manieren waarop de arbeidsverhouding kan worden beëindigd, zoals de beëindiging van rechtswege en de ontbinding door de kantonrechter (zie art. 7:685 BW).

Ook is geen toestemming nodig als er sprake is van een beëindiging met wederzijds goedvinden. Dat is dan ook niet zo verwonderlijk. Het toestemmingsvereiste geldt alleen daar waar sprake is wan de opzegging, waarbij de werkgever de arbeidsverhouding wil beëindigen tegen de van de werknemer. Bij een beëindiging met wederzijds goedvinden hebben beide partijen hierover overeenstemming bereikt, waardoor toestemming van de Centrale organisatie werk en inkomen ook niet noodzakelijk is.